preventie, zorg en wetenschap:   

gezondheidswinst door voeding    

Projecten klinisch voedingsonderzoek 

 

1. Ondervoeding & Klinische Depletie

2. Overvoeding & Metabool Syndroom

 
 

"Focus on Excellence": MRI in voedingsonderzoek

 


Thema 1:  Ondervoeding & Klinische Depletie

 

Cognitie bij veroudering: effecten van n-3 vetzuren

 O van de Rest 1,  CPGM de Groot 1, A Janse 2, MGM Olde Rikkert 3
1Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2Afdeling Klinische Geriatrie, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
3Kenniscentrum Geriatrie, Radboud Universiteit, Nijmegen
 
Een hoge inname van omega-3 vetzuren (EPA en DHA) heeft mogelijk een beschermende rol tegen leeftijd gerelateerde cognitieve achteruitgang. Er zijn verschillende mechanismen waarop dit zou kunnen werken, waaronder een verbeterde doorbloeding in de hersenen (cerebrale perfusie). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat individuen die drager zijn van het APOE-e4 allel een andere respons geven op suppletie met n-3 vetzuren. In dit onderzoek wordt gekeken naar de korte termijn effecten van een farmacologische dosis visolie op cognitief functioneren en cerebrale bloed doorstroming. Daarnaast wordt onderzocht of dragers van het APOE-e4 allel een andere respons geven op visolie suppletie dan niet dragers. In deze studie krijgen 40 patiënten met amnestische Mild Cognitive Impairment (MCI) gedurende 4 weken visolie capsules of placebo capsules. Belangrijkste uitkomstmaten:
· Cognitief functioneren: gemeten met gevoelige cognitieve functie testen gericht op reactie tijd, geheugen en aandacht.
· Trans-Cranial Doppler (TCD): blood flow-velocity in de middelste cerebrale arterie: cerebrale autoregulatie, vasomotor reactiviteit op CO2.
· Near Infrared Spectroscopy (NIRS): cortical tissue oxygenation, cerebrale autoregulatie, cerebraal bloed volume.
De resultaten van dit onderzoeken worden eind 2009 verwacht. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of er vervolgonderzoek komt en welke vorm dit zal krijgen.

 Screening op ondervoeding op twee hoogrisico poli's

 HJ Groot 1, JHM de Vries 1, BJM Witteman 2
1Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2Afdeling Maag Darm Leverziekten, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
 
Op de poli van de afdeling Maag Darm Leverziekten en Interne Geneeskunde is de prevalentie van ondervoeding onderzocht. Ook is gekeken naar de determinanten van ondervoeding op deze afdelingen en naar het aantal ondervoedde patiënten dat naar een diëtist werd verwezen. Gegevens werden verzameld door poliassistenten met een vragenlijst naar intake gerelateerde symptomen, de MUST. Op de MDL polikliniek (N=281) werd een prevalentie van 8.2% met een medium risico en 10% met een hoog risico gevonden; op interne geneeskunde polikliniek (N=215) was dat 7% respectievelijk 13.5%. De screening toonde aan dat 9 van de hoog risico patiënten (N=45) werden doorverwezen naar een diëtist; voor 17 van de hoog risico patiënten werd geen reden gevonden om niet te worden doorverwezen. De diagnostische criteria, ‘gebruik maken van dieetsupplementen zoals sondevoeding’, ‘moeite met slikken’, ‘pijn gedurende de maaltijd’, ‘afgenomen eetlust’, en ‘minder eten dan normaal’ hadden een hoge correlatie met ondervoeding (OR 5.3-11.6). Bij 84.3% van de ondervoede patiënten (N=25) werd geen gewichtstoename gevonden na de follow-up periode (x ± SD: 18.2±14.3 weken). Vanwege de hoge prevalentie van ondervoeding op de MDL en interne geneeskunde, lijkt screening met de MUST zinvol. Aangezien verwijzing op basis van de MUST alleen teveel polipatiënten zou doorverwijzen, is het advies om de vragenlijst uit te breiden met enkele vragen over symptomen die een hoge correlatie met ondervoeding hebben.

 Screening: MNA vs MUST

I  Heemels 1, CPGM de Groot 1, A Janse 2, N Janssen
1Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2Afdeling Klinische Geriatrie, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
3Afdeling Diëtetiek, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
 
Ziekenhuis Gelderse Vallei gebruikt de Malnutrition Universal Screening Tool (MUST) om op ondervoeding te screenen. De MUST is gevalideerd bij volwassenen in verschillende settings, echter over de bruikbaarheid bij ouderen is de literatuur niet éénduidig. In de praktijk leefde het idee dat op de polikliniek Geriatrie de MUST niet iedereen met een risico op ondervoeding detecteerde. De (Short Form) Mini Nutritional Assessment ((SF)MNA), is speciaal ontwikkeld voor “frail elderly" en gevalideerd onder geriatrische patiënten. De MNA bestaat uit 2 delen. Indien de SF-MNA verhoogd risico aangeeft dan wordt normaal gesproken de volledige MNA afgenomen. Om eventuele discrepanties te detecteren en ook de SF-MNA met de MNA te kunnen vergelijken, is in deze studie de MNA in alle gevallen volledig afgenomen. In deze studie is de MUST vergeleken met de (SF) MNA op de polikliniek Geriatrie van Ziekenhuis Gelderse Vallei. Gedurende acht weken in april 2009 zijn alle geriatrische polipatiënten die aan de inclusie criteria voldeden gescreend met de MUST en de (SF)MNA. De prevalentie van mogelijke ondervoeding was bij SF-MNA 53.9 %, bij de MNA 28.9 % en bij de MUST 14.5 %. De SF-MNA en MUST kwamen voor 59,2 % overeen met hun classificatie. De MNA en MUST kwamen voor 63.4 % overeen. Uit de discrepanties kwam naar voren dat zowel de SF-MNA als de MNA meer patiënten met verhoogde kans op ondervoeding aangeeft dan de MUST.

 Ondervoeding in de eerste lijn

 JHM de Vries 1, BJM Witteman 2, A Boot 3, F Zwart 4
1Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2Afdeling Maag Darm Leverziekten, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
3Afdeling Diëtetiek, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede 
4 Huisarts te Ede
 
Patiënten die worden opgenomen in het ziekenhuis worden gescreend op ondervoeding. Ook op een aantal hoogrisico poliklinieken wordt gescreend op ondervoeding. Bij opname in het ziekenhuis blijkt 25 – 40 % van de patiënten ondervoed. Ondervoeding treedt dus al op in de eerste lijn. Doel van dit Momenteel wordt er een onderzoek opgezet om de ondervoeding in de huisartsenpraktijk in kaart te brengen. Het doel van het onderzoek is screenen van de voedingsstatus. In het algemeen wordt er gesproken over aan ziekte gerelateerde ondervoeding wanneer er bij ziekte sprake is van onbedoeld gewichtsverlies van meer dan 10% in de laatste 6 maanden of meer dan 5% in de laatste maand. Verder is er ook sprake van ondervoeding bij een Body Mass Index (BMI (gewicht / lengte2)) van kleiner dan 18,5. De idee is, mogelijk te maken dat ondervoeding in een vroeger stadium kan worden aangepakt. Doordat de BMI in de screening is opgenomen biedt de screening ook een optie om tijdig overgewicht te herkennen.
 


Thema 2: Overvoeding & Metabool Syndroom

 

Effecten van Mediterrane voeding op risicofactoren voor metabool syndroom

M Bos 1, E Feskens 1, L de Groot 1, JHM de Vries 1, R Heijligenberg 2
1Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2Afdeling Interne Geneeskunde, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
 

Alpha-Omega Trial

 JM Geleijnse 1, T van Loenhout 2, D Kromhout1,
1 Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2 Afdeling Cardiologie, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
 
De Alpha-Omega Trial (Nederlandse titel: Margarine Onderzoek) is een gerandomiseerd, dubbel-blind, placebo-gecontroleerd onderzoek naar het effect van omega-3 vetzuren op cardiovasculaire mortaliteit en morbiditeit. Het betreft een initiatief van de Nederlandse Hartstichting, met aanvullende financiering van de “National Institutes of Health (NIH)” in de VS. In samenwerking met cardiologen van 32 Nederlandse ziekenhuizen, waaronder Ziekenhuis Gelderse Vallei, zijn 4837 patiënten van 60-80 jaar geïncludeerd in het onderzoek. Zij hebben in de 10 jaar voorafgaand aan deelname een hartinfarct doorgemaakt. De deelnemers zijn door randomisatie toegewezen aan 1 van de 4 interventies, namelijk [1] visvetzuren (EPA+DHA), 400 mg per dag, [2] alfa-linoleenzuur, 2 gram per dag, [3] visvetzuren + alfa-linoleenzuur, of [4] placebo. De omega-3 vetzuren zijn verwerkt in tafelmargarine, die de deelnemers gedurende 40 maanden dagelijks op brood gebruiken. De 4 soorten margarines zijn vergelijkbaar voor wat betreft uiterlijk, geur en smaak. Eindpunten die in deze trial worden bestudeerd zijn coronaire sterfte, cardiovasculaire sterfte en totale sterfte. Daarnaast wordt het effect van omega-3 vetten op niet-fatale cardiovasculaire gebeurtenissen en interventies bestudeerd. Tijdens het onderzoek wordt de medische behandeling ongemoeid gelaten. Het onderzoek loopt van mei 2002 tot oktober 2009. De onderzoeksresultaten worden in de tweede helft van 2010 gerapporteerd. Zie voor meer informatie: Margarineonderzoek, Alpha-Omega Trial en in het Klinisch Studieregister
 


Thema 3: Orgaanspecifieke aandoeningen & Oncologie

 

Vis en darmgezondheid (FISHGASTRO studie)

G Pot 1, E Kampman 1, A Geelen1, BJM Witteman 2
1Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2Afdeling Maag Darm Leverziekten, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
 
Consumptie van vis heeft mogelijk een beschermende rol bij het ontstaan van dikke darmkanker. Tot nu toe zijn er nog geen interventie studies uitgevoerd die onderzocht hebben wat de effecten zijn van visconsumptie op het risico van dikke darmkanker. Het doel van dit onderzoek was te bestuderen of het verhogen van de visconsumptie een beschermend effect heeft op het risico van dikke darmkanker. Patiënten, die in het ziekenhuis kwamen voor een colonoscopie, werden uitgenodigd deel te nemen aan het onderzoek, waarin ze gedurende 6 maanden lang tweemaal per week zalm, kabeljauw of geen extra vis kregen. Voor en na deze periode werden biopten genomen uit de darm en hierin hebben we gekeken naar veranderingen in apoptoses (celdood) en mitoses (celdeling) als maat voor het risico op dikke darmkanker. Na 6 maanden zalm of kabeljauw gegeten te hebben vonden we geen verschil in de mate van apoptoses of mitoses. We hebben dus niet kunnen constateren dat het verhogen van de visconsumptie leidt tot een vermindering van het risico op dikke darmkanker.
 
FISHGASTRO werd gefinancierd door de EU (http://www.seafoodplus.org/).
FISHGASTRO is onderdeel van de onderzoekslijn Voeding en Kanker (prof. E. Kampman, Wageningen Universiteit): observationeel en humaan experimenteel onderzoek naar de rol van voeding bij de preventie en overleving van kanker van de dikke darm (Dr. B. Witteman, ZGV), borst (Dr. H. van Halteren, Dr. E. Balk, H. Postema, ZGV) en prostaat (Dr. O. van Vierssen Trip). 

Voeding, leefstijlfactoren en genetische gevoeligheid voor adenomateuze darmpoliepen

A Botma 1, E Kampman 1, BJM Witteman 2
1Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2Afdeling Maag Darm Leverziekten, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede


FOCUS ON EXCELLENCE: Nutritional Research Imaging

 

MRI in klinisch voedingsonderzoek

M Mensink 1, P Smeets 1, A van Die 2, JJ Nikken 2
1Afdeling Humane Voeding, Wageningen Universiteit, Wageningen
2Afdeling Radiologie, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede
MRI is een veelgebruikte diagnostische techniek in de klinisch praktijk, maar wordt de laatste jaren meer en meer gebruikt in het voedingsonderzoek. Binnen de Alliantie Voeding is de ontwikkeling hiervan dan ook een belangrijk aandachtsgebied. MRI biedt de mogelijkheid om metabole processen in weefsels te meten, zonder dat daar invasieve ingrepen en/of röntgen belasting voor noodzakelijk zijn. Voorbeelden van onderzoek zijn o.a.:
  • het meten van activiteit in hersenen gerelateerd aan honger en verzadiging;
  • het effect van (micro) nutriënten op cognitieve processen bij veroudering;
  • het bepalen van vetophoping in de buik (‘abdominaal vet’) en in organen zoals lever en spier (‘ectopisch vet’). Dit laatste is sterk gerelateerd aan het ontstaan van insuline resistentie en type 2 diabetes mellitus. 

naar boven >>